D.C. Lama

25 oktober 2005
By on 13:29
Karel Gabler

Zin

Zoek mij er niet op 2 november, daar op de Linneausstraat. Ik zal er niet zijn. Net zoals degenen met wie ik mij het meest verbonden voel, die zullen er dan ook niet zijn. Alleen al de gedachte daar te staan met Cohen, Balkenende en één of andere verdwaalde stadsdeelvoorzitter doet mij huiveren.

Ik heb er geen zin in. Geen zin in al die welgemeende toespraken van marskramers die hun beduimelde waar weer eens zullen uitstallen. Het minderhedendebat, de moslimproblematiek of hoe het allemaal heten moge, het zal mij gestolen zijn. Ik zie de discussie slechts gedomineerd en bevolkt door lijkenpikkers, dwaallichten en handelaren in multicul parafernalia gedreven door het oogmerk van carrière en eigengewin. Het interesseert me niet meer. Inderdaad de democratie is een mooi stelsel, maar de wijze zoals zij heden ten dage reilt en zeilt, brengt bij mij niet meer zo veel bewondering teweeg.

Ik heb trouwens ook geen zin meer in dit weblog. Ik stop ermee. Dit is de laatste update. Niet getreurd. Immers reeds vanaf de eerste dag heb ik gemeld dat het slechts een tijdelijke affaire zou zijn. 2 November lijkt mij een uitermate geschikte dag helemaal op zwart te gaan en andere horizonten te gaan verkennen. De voorgaande 365 ochtenden, middagen, avonden en nachten duurden lang. Erg lang. Ik zal proberen me weer te laten verwonderen.

Karel Gabler

20 oktober 2005
By on 10:12
The Clog from Oz

Ubi Sunt?

Een van de mooiste gedichten die ik ken is Profundamente van de Braziliaanse dichter Manuel Bandeira. Profundamente heeft het ‘ubi sunt?’ als thema, het ‘waar zijn ze?’, de mensen die ooit een belangrijke rol speelden in ons leven, maar die sinds lang van het hedendaags toneel zijn verdwenen. In het uit 1930 stammende Profundamente gaat de dichter terug naar zijn kindertijd, specifiek naar de ‘noite de São João’, Saint John’s Eve, waarop kinderen mogen opblijven om de feestelijkheden te zien en horen. Als zesjarige viel hij in slaap, om pas midden in de nacht wakker te worden, toen het feest al voorbij was. Hij vraagt zich af waar allen zijn die kort daarvoor nog vrolijk dansten en zongen door de straten. Het antwoord is dat zij in diepe slaap verzonken zijn.
In het tweede deel van het gedicht vindt een analogie plaats van de specifieke feestavond naar het leven zelf. Waar zijn ze, zo vraagt de dichter zich af, zijn oma, zijn opa, en de dienstmeid Tomãsia? Evenals in het eerste deel is het antwoord te vinden in die prachtige, afsluitende strofe; ‘- Estão todos dormindo / Estão todos deitados / Dormindo / Profundamente’ (in de Engelse vertaling die ik hier voor me heb ‘-They are all sleeping / They are all lying down / Sleeping / Profoundly.’ – Er is naar ik bijna zeker weet een Nederlandse vertaling van August Willemsen).

Al sinds ik een jaar of twintig was, kom ik graag op begraafplaatsen. Lange tijd was een bezoek aan Parijs niet compleet zonder een bezoek aan Père Lachaise. Ik heb ergens nog een grote stapel foto’s van de graven van Jim Morrison, Edith Piaf, Proust, Wilde en vele anderen. In Nederland werd later het bezoek aan begraafplaatsen tweeledig. Ten eerste dient dat natuurlijk het bestendigen van de band met diegenen die je zijn ontvallen, zij die nu ‘are all lying down, sleeping profoundly’. Maar daarnaast realiseerde ik me met het klimmen der jaren, dat de dood steeds vertrouwder leek te worden en dat ik zelfs een bepaald gevoel van loutering niet kon onderdrukken bij het verlaten van een begraafplaats. En dat is niet alleen het besef dat er ooit een eind komt aan die rare poppenkast hierbeneden. Er zijn weinig dingen waar ik zoveel plezier aan beleef als rust en verstilling en al heb ik als iedere andere sterveling geen enkele zekerheid omtrent een mogelijk hiernamaals, zo dit bestaat mag ik dit graag voorstellen als een oord waar slechts rust en verstilling heersen, meer nog, een oord waar geen enkele behoefte bestaat aan iets anders. Ik vind die rust in het opgaan in de natuur of in een gedicht als Profundamente. Ik droomde kort geleden dat ik een perfect gedicht had geschreven en ik kan me nog herinneren dat ik, anders dan in veel dromen, bevangen werd door een onmetelijk gevoel van geluk. Het kan me ook overkomen als ik een indrukwekkend berglandschap zie dat de nietigheid van de mens benadrukt of als ik opga in de vlucht van een van de door mij zo geliefde pelikanen die praktisch voor mijn deur hun domicilie hebben.

Ik moet nog vaak denken aan de woorden die de katholieke buurvrouw tegen mijn tante zei nadat mijn neef was verongelukt. ‘Ach joh, die zit al lang te kaarten boven!’. Hoe lief ook bedoeld in alle onbeholpenheid, het lukt mij niet een hiernamaals voor te stellen waarin we onze aardse individualiteit voortzetten. Toen ik pas een jaar of acht was, hield de prangende vraag van de zichtbare identiteit in de hemel mij al bezig. Hoe moeten onze grootouders ons herkennen als ze ons decennia lang niet meer hebben gezien? Ik dacht er regelmatig over na, maar tot een bevredigend antwoord kon ik nooit komen. Naarmate ik ouder werd, begreep ik dat het idee van een identiteit zoals we die kennen uit het aardse leven, in een mogelijk hiernamaals onzinnig was. En die gedachte stemt mij allerminst treurig. Los van alle heisa hier beneden die gewoon zou worden voortgezet, zou ik niet weten waarom we zo nodig vast moeten houden aan onze individuele aardse identiteit. ‘Het spel is gespeeld, het kastje kan dicht’, zo zou ik het kort willen omschrijven.
Laat dit alles niet de indruk geven dat ik afkerig zou zijn van het leven, integendeel. Ik vind het leven een fascinerende ontdekkingsreis waar ik elke dag bijzonder van geniet en het groots en meeslepend willen leven mag sinds mijn tienerjaren minder dwingend zijn geworden, sporen ervan blijven altijd herkenbaar. Maar het is juist in het besef van de eindigheid dat ik het genieten ten volle ervaar. In de al eerder genoemde liefde voor dieren, die in Australië met de natuur praktisch voor de deur alleen maar is toegenomen, of in de prachtige zonsop- en ondergangen hier, ach eigenlijk in zoveel.

Wat betreft begraafplaatsen heeft Sydney veel te bieden. De eerste begraafplaats die ik ontdekte, was de oude Camperdown Cemetery in Newtown. Inmiddels niet langer een toevluchtsoord voor nieuwe passanten van de Styx, biedt deze plek een mooie kijk in het Australië uit de koloniale tijd. Veel graven van vroeg gestorven kinderen, maar ook in de negentiende eeuw bereikte menigeen al een leeftijd van rondom de tachtig. Een massagraf voor allen die omkwamen bij een schipbreuk en veel graven die lange tijd niet meer verzorgd zijn, scheefgezakt, overwoekerd met onkruid of boomwortels en derhalve een fraai decor voor een horrorfilm. Maar ook uitermate geliefd als picknickplek voor de vele studenten van Newtown, zo ontdekte ik tijdens mijn laatste bezoek op een zonnige dag.

Waverley Cemetery moet een van de mooist gelegen begraafplaatsen ter wereld zijn. Gelegen aan zee, tussen Bronte en Clovelly beach, is het een vast onderdeel van de wandeling van Bondi naar Coogee, sowieso een aanrader voor iedereen die Sydney bezoekt. Met zijn unieke ligging, biedt deze begraafplaats een perfecte aanleiding voor het maken van foto’s. Opvallend zijn de ‘family vaults’ die de begraafplaats aan de achterkant afbakenen. Niet geheel verrassend, worden deze alle bewoond door Italiaanse families, met in het midden de grootste voor de ‘Familia Speziale’. (Die naam is echt, zoiets verzin je niet!)

De meest indrukwekkende begraafplaats van Sydney heeft de welluidende naam Rookwood Necropolis. Vanaf het station van Lidcombe, leidt een straat vol grafhouwers je in de goede richting. Je kunt uren ronddwalen over Necropolis en de plek biedt van alles. Verlaten velden die doen denken aan de begraafplaats in Newtown, een hele cluster ‘family vaults’, een rij simpele kruisen op de graven van een aantal lang geleden overleden ‘reverends’, met slechts naam en jaartallen van de overledene (‘annos natus’), een cluster graven die het meest weghebben van gigantische zandkastelen, een beeld van een man met zijn hond (‘In memory of the late Robert Hancock, who died 20th february 1876 Aged 69 years’), etc., etc. Midden op de begraafplaats ontwaar ik een groep kraaien die zijn afgekomen op het aldaar verspreid liggende brood. Wellicht uitgestrooid door iemand die de symboliek van Necropolis extra wilde benadrukken. Als een van de grootste begraafplaatsen ter wereld wordt Necroplis bewoond door duizenden, ‘todos dormindo profundamente’.

The Clog from Oz (met dank aan Nancy voor de foto’s van de zonsondergang en de pelikanen)

19 oktober 2005
By on 10:39
Ebru Umar

Brieven uit Berkeley?

13 September 2003 rees mijn afkeer voor Leon de Winter toen hij zijn eerste column in Elsevier publiceerde. Geen dag eerder. Meneer de Winter behoorde natuurlijk al lang tot het establishment en zag dat bezegeld met een wekelijks podium in Neerlands meest ongelezen opinieblad. Weliswaar met de hoogste oplage maar laten we eerlijk zijn: wie heeft er geen ’15 nummers voor 25 euro’- abonnement op dit geval?

Goede columnisten gun ik een goede plek, en in grachtengordelkringen is ‘goede plek’ nog steeds een rechterkolom in Elsevier. Een ander gegeven is dat in grachtengordelkringen goede columnisten pas na hun dood geroemd worden. ‘Lef’ of ‘vernieuwing’, laat staat ‘talent’ zijn nou eenmaal geen eigenschappen waar het establishment of de grachtengordel in uitblinkt.

Vroeger moest ik op school de meest onbegrijpelijke latijnse teksten vertalen. Het begrip hiervan kwam met de jaren, het plezier ook. De Winters eerste column in Elsevier was echter nog onbegrijpelijker dan de jamben van Homerus. Bij Homerus had ik nog een woordenboek bij de hand, bij De Winter greep ik naar een teiltje. Met mijn gymnasium ervaring in het achterhoofd probeer ik het telkens weer, een column van De Winter lezen én begrijpen. Vooral die eerste uit september 2003. Onderhand ben ik zover dat ik sommige zinnen kan lezen zonder stotteren of ademtekort, maar om het te begrijpen heb ik ongetwijfeld nog enkele jaren nodig. Misschien zelfs wel een heel leven. Het gymnasium is niet meer wat het geweest is – maar ja De Winter heeft dan ook jaren gedaan over zijn middelbare school, ik zes.

Van de week ontving ik een mailtje van Emma Rose. Leon de Winter houdt Nederland voor de gek, schreef ze. Samen met zijn lieftallige echtgenote Jessica Durlacher geeft hij ‘gastcollege’ op Berkeley. De waarheid is dat ze zich nog nauwelijks op de compus vertoond hebben. Toch knap dat ze daar wekelijks in de Volkskrant een kwartpagina over weten op te pennen, in Die Welt hun gal mogen spuien en natuurlijk in Elsevier ook hun kwakje inleveren. Emma schreef me dat De Winter op 2 november een zeer prestigieuze lezing zal misbruiken om de dood van Theo van Gogh – die uit zijn naam tot in de rechtszaal achtervolgd werd wegens vermeend antisemitisme – te exploiteren voor zijn eigen politieke doeleinden. Principes en het establishment, dat gaat niet samen. Lijkenpikkerij komt in de beste kringen voor, óók binnen de Joodse. Maar dat mag niemand verbazen. De rechter oordeelde trouwens dat Theo van Gogh geen antisemiet was. Mensenkennis kan De Winter niet toegedicht worden, maar over de doden niets dan goeds natuurlijke.

Ik ben ervan overtuigd dat elke columnist het podium krijgt dat ‘ie verdient. Sommige podia verdienen alleen wat beter dan de andere. De Winter en Durlacher zijn ware grootverdieners van de gebakken lucht cultuur. Ere wie ere toekomt. Hoewel… De oplages van de grachtengordellectuur dalen al jaren. Nederland is niet half zo dom als het establishment denkt.
Er is hoop.
Er is Metro.

Ebru Umar

18 oktober 2005
By on 10:16
Annelies van der Veer

grfx: WH

“O wijs me het dichtstbijzijnde meldpunt!”

Tranen rollen over Els’ wangen. Het kinderboek glijdt van het bed. Ze wil niet verder lezen. Dood, hij is dood mompelt ze, hoe is het mogelijk? Vanaf de eerste bladzijde van Harry Potter and the Half-Blood Prince heeft ze geweten dat dit boek over angst, angstzaaierij, verraad en dreiging gaat. Met Death Eaters die hun Dark Lord ‘He Who Should Not Be Named’ blindelings volgen door hun landgenoten te verraden en te vermoorden was dat snel duidelijk. En wat te denken van de Dementors die elk geluk en leven uit mens en tovenaar zuigen wanneer ze in de buurt komen? Ja, dat was geen verrassing en dat had het boek ook zo aantrekkelijk en spannend gemaakt maar dat uiteindelijk een wolf in schaapskleren de wijze, goede en bekwaamste tovenaar van het vrije, vrolijke en gelukkige tovenaarsvolkje zou vermoorden, dat komt hard aan.

Ze raapt het boek op. Zou ze het Engels niet goed begrepen hebben? Weer leest ze de onbegrijpelijke woorden waarbij de stem van deze onschuldige tovenaar voor het eerst smekend klinkt: “Severus……….please…”.
Er is geen hoop meer, denkt Els, als al in kinderboeken de waanzin overwint dan kunnen we wel inpakken.

Els stapt uit bed. “Wat is er met jou?”, vraagt haar vriend als ze beneden komt. Drie woorden zijn genoeg. “Hij is dood.” Onmiddellijk begrijpt hij op wie ze doelt. Zijn stem klinkt ernstig, het is alsof ze het over een goede vriend hebben. “Ja, het is waar. D. is dood. Het is bijna niet te bevatten.”
Wat valt er verder nog te zeggen? Dat het niet eerlijk is?

Nasnikkend verdwijnt ze onder de douche. Het moet niet te gek worden. Zoals altijd is het onder de douche lekker plannetjes bedenken. Misschien draait de nieuwe film van Wallace and Gromit al in de bioscoop. Zo’n geinige klei-animatie, daar knapt een mens van op. Even checken op internet. Dan de weekendboodschappen doen en stofzuigen, maar dan moet ze eerst stofzuigerzakken kopen want die zijn al een tijdje op. Dit keer wel het juiste formaat kopen, de oude doos meenemen!

Als ze wat later naar ‘de Blokker’ loopt, telt ze de zwarte, gehoofddoekte vrouwen. Dat is al enkele maanden een tik van haar waar ze maar niet van af kan komen. Dom, dom, dom, ze telt er drie. Allemaal in de macht van ‘HWSNBN’ en zijn Death Eaters denkt ze onwillekeurig want anders zou je er toch niet aan meedoen? Tien procent van de bevolking inmiddels maar als je ze in een straat ziet lopen, is de impact van die ingepakte zwarte vrouwen en kinderen veel groter. Els rilt. Het moet niet gekker worden.

Ze stapt de oranje winkel binnen maar deinst bijna direkt weer terug. Achter de kassa van meneer Blokkers druk bezochte winkel staat er één. De witte badmuts onder de zwarte hoofd- en halsdoek houdt alle franje, frivoliteit en vreugde tegen. Els huivert, het lijkt alsof haar geluk wordt weggezogen. Het wordt haar te veel. Ik ben niet normaal, denkt ze, ik moet naar een meldpunt, waar is het dichtstbijzijnde meldpunt? Ze kan er niet meer tegen. Het lijken wel aanhangers van ‘the Dark Lord’, van wie er één ‘D’ om zeep heeft gebracht. Of haalt ze nu alweer dingen en werelden door elkaar?

Haar hart gaat sneller kloppen, ze struikelt in haar haast langs de kassa te komen en gooit per ongeluk een paar oranje gekleurde glazen om. Met de lege stofzuigerzakdoos in haar hand, dringt ze dieper de winkel binnen, en dan ziet ze de eigenaar van de zaak. Haar redding? Ze loopt naar hem toe en smeekt hem: “Meneer Blokker, kunt u mij helpen? Helpt u mij dan toch!”

Annelies van der Veer
15 oktober 2005


By on 09:07
The Clog from Oz

Lopende Zaken (1)

Omdat de Australische politiek nog altijd ver is verwijderd van het bed van Nederlanders, wend ik mij tot een vergelijking, dit in een poging de laatste ontwikkelingen zo inzichtelijk mogelijk te maken.

Stel het volgende gebeurt: Er vinden in Nederland verkiezingen plaats, Wouter Bos verliest van Balkenende en treedt vier maanden later af als partijleider. Hij wordt binnen de PvdA opgevolgd door Ad Melkert, die er weer bij wordt gehaald omdat men geen betere kandidaat kan vinden. Zeven maanden later vindt de publicatie plaats van Het Dagboek van Wouter Bos, bijgehouden tijdens de verkiezingscampagne. In dat dagboek valt te lezen dat Bos zo’n beetje de gehele top van de partij verwijt een stelletje rioolratten te zijn, met Melkert als ergste rat. Hij maakt een uitzondering voor Jeltje van Nieuwenhoven, die vanwege haar inzichten en integriteit de plaats van Melkert moet innemen. Melkert voelt zich dermate beledigd, dat hij een proces wegens smaad aanspant tegen Bos. Wim Kok, die tijdenlang opdtrad als mentor van Bos, krijgt ook een trap na en de heren zijn niet langer on speaking terms.

Een fictief verhaal en in Nederland misschien ondenkbaar. Zo ook in Australië, althans tot voor kort. Twee weken terug verscheen het boek The Latham Diaries, het door voormalig Labourleider Mark Latham bijgehouden dagboek in de periode rond de verkiezingen van oktober 2004. Ondanks alle prognoses in de (met name linkse) media, was het niet Latham die zegevierde, maar kon premier John Howard zich met zijn Liberals opmaken voor een historische vierde ambtstermijn. Latham was totaal gedesillusioneerd en trad in januari 2005 af wegens gezondheidsredenen. Naar nu blijkt, was hij al volledig gedesillusioneerd door de spelletjes en het gekonkel binnen de politiek toen hij zich opmaakte om de volgende premier van Australië te worden. Desondanks werd hij plichtmatig door de gehele Labourleiding gepresenteerd als de nieuwe man die Australië moest gaan leiden. Dit nadat Latham nipt van Beazley had gewonnen in de strijd om het Labour-leiderschap na het gedwongen aftreden van de weinig charismatische Simon Crean. Deze was Beazley opgevolgd, nadat Beazley twee verkiezingen had verloren van Howard en zich op zijn beurt genoodzaakt had gezien af te treden als Labourleider.

The Latham Diaries blijken na twee weken een ware bestseller te zijn, ongekend voor een politiek boek. Het vormt een explosief exposé van het wel en wee binnen de Labourpartij. Het gekonkel, het gehuichel en de machtsspelletjes. Wat Latham Beazley vooral kwalijk neemt, is dat volgens hem Beazley de motor was achter een smaadcampagne binnen de partij. Latham zou het hebben aangelegd met de dochter van een niet nader genoemde functionaris (inmiddels is de naam natuurlijk uitgelekt). Uiteraard ontkent Beazley in alle toonaarden, maar Latham is overtuigd van zijn zaak en zegt over Beazley dat hij ‘nog niet goed genoeg is om de toiletten van het parlementsgebouw schoon te maken.’ Gough Whitlam, de Joop de Uyl van Australië, die in 1975 als enige in de Australische geschiedenis wegens vermeend financieel wanbeleid gedwongen werd af te treden als premier, maar desondanks of misschien juist wel dankzij dat gegeven, nog altijd enorm populair is, was lange tijd de mentor van Latham, die zelfs zijn tweede zoon naar Whitlam vernoemd heeft. Blijkbaar heeft Whitlam op een verkeerd moment tegenover de verkeerde persoon gesuggereerd dat Latham de politiek beter de rug kon toekeren, met als gevolg dat Latham niets meer met hem te maken wil hebben.

Ik geloof graag dat de politiek een broeinest is van opportunisme, waar het vaak lang zoeken is naar de nodige integriteit. In dat opzicht zouden de openbaringen van Mark Latham dan ook een welkome kijk in de politieke arena kunnen vormen. Latham diskwalificeert zichzelf echter aan alle kanten, niet alleen omdat hij zelf aantoont het met de integriteit niet zo nauw te nemen, maar vooral omdat hij zich zo hardnekkig blijft presenteren als de ‘Aussie bloke’ (spreek uit ‘blauwk’), de yobbo die met z’n mates bij het genot van een stubby (flesje bier) de laatste ontwikkelingen in de rugby analyseert, het type bij wie het no worries mate voorin de mond ligt. Ironisch genoeg behaalde Latham binnen deze groep ‘Aussie blokes’ van zo’n 25 tot 50 jaar, slechts 27 % van de stemmen. De grootste verliezers zijn uiteraard de kiezers. Het maakt niet uit welke partij je aanhangt, politiek kan volgens mij niet zonder een goede, hechte oppositie en met de huidige strubbelingen binnen Labour heerst de angst dat Howard en de zijnen helemaal vrij spel zullen hebben bij het doorvoeren van de voorgestelde Workplace reforms, die alle opgebouwde werknemersrechten in een keer teniet willen doen en Australië lijken terug te werpen naar de jaren ’50. Maar daarover een andere keer meer.

Het lijkt wel of de Australische politiek op dit moment vooral een slagveld vormt binnen de partijen. De publikatie van The Latham Diaries kwam twee weken na het dramatische aftreden van John Brogden, de 36-jarige leider van de Liberals in New South Wales en uit dien hoofde oppositieleider en opponent van voormalig Labour-premier Bob Carr. Brogden zag zich genoodzaakt de eer aan zichzelf te houden en af te treden nadat hij werd beticht van een racist slur en seksuele avances in de richting van enkele journalistes. Nadat Bob Carr drie maanden geleden aankondigde dat hij het na tien jaar premierschap genoeg vond en in overleg met zijn vrouw Helena had besloten af te treden, raakte Brogden overmoedig bij het vooruitzicht bij de volgende verkiezingen een grotere kans te maken op het premierschap, nu de taak van Carr is overgenomen door de vrij onbekende Morris Ieamma. Brogden houdt zich normaal gesproken netjes aan de Diet Coke, maar op de avond volgend op het aftreden van Carr, goot hij binnen drie uur zes glazen bier naar binnen, ongetwijfeld schooners, het Australische gemiddelde tussen ons vaasje en de Britse pint.

In een balorige bui maakte hij een très faux pas door de van oorsprong Maleisische Helena Carr een mail order bride te noemen. Alsof dat nog niet genoeg was, kneep hij ook nog eens een journaliste in de billen, om vervolgens de arm om een van haar collega’s te leggen en haar te vragen of zij available was. Na de woedende reactie van het echtpaar Carr, die de excuses van Brogden niet wensten te aanvaarden, maakte Brogden met hangend hoofd en neergeslagen ogen zijn aftreden publiekelijk bekend. Toen de volgende dag uitlekte dat een van de tabloids nog meer uit de doeken zou doen over sexuele avances van Brogden, sloeg de katholieke familyman in zijn kantoor de hand aan zichzelf in een klungelige poging zich van het leven te beroven. Nadat een medewerker Brogden bewusteloos had aangetroffen, werd deze in allerijl naar het ziekenhuis vervoerd, waar bleek dat de zelfaangebrachte verwondingen nogal meevielen. Brogden mocht een dag later dan ook het ziekenhuis verlaten en hij werd vervolgens opgenomen in een luxe psychiatrische kliniek in Sydney. Inmiddels heeft hij te kennen gegeven zich geheel terug te trekken uit de politiek.

Een dag na de zelfmoordpoging van Brogden lekten de eerste berichten uit dat het hier ging om een heuse machtsstrijd binnen de liberale partij. Conservatieve krachten hadden zich al maanden lang gebundeld en stap voor stap hun machtspositie binnen de partij vergroot. Het wachten was op de ideale gelegenheid Brogden van zijn positie te stoten. In de ogen van de conservatieven was Brogden veel te liberaal (what’s in a name) met zijn steun aan progressieve paradepaardjes als de speciale injectieruimtes voor heroïneverslaafden en het verlagen van de age of consent voor homoseksuelen. Toen de conservatieve krachten de berichten vernamen betreffende de dronkemanshumor en kontknijperij van Brogden, zagen ze hun kans schoon en zorgden ervoor dat deze geruchten het journalistieke milieu dermate infiltreerden dat ze wel moesten exploderen, met het aftreden van Brogden als gewenst gevolg. Reden dat het enkele weken duurde voordat deze berichten het nieuws haalden. Wat de conservatieven hoopten gebeurde: na het aftreden van Brogden werd zijn naaste medewerker afgeserveerd onder dezelfde bedreiging van ‘ongewenste avances’ en konden de conservatieven hun kandidaat Peter Debnam onbedreigd naar voren schuiven als de enige juiste opvolger van Brogden. Debnam en zijn vrouw Deborah hebben al de nodige vergelijkingen opgeleverd met Ronald en Nancy Reagan. Niet ten onrechte.

Het laatste nieuws in deze kwestie: de zogenaamde seksuele avances van Brogden, waarover de tabloids meer uit de doeken zouden doen, blijken uit de duim van de conservatieve flank gezogen. Hetgeen gematigd Liberal Patricia Forsythe terecht deed opmerken: Je hoeft tegenwoordig niet eens een lijk in de kast te hebben – de mensen verzinnen er zelf wel een.’

The Clog from Oz

14 oktober 2005
By on 09:05
Fiza Ahmed

Van orkanen en de nietigheid van de mens

Nietig is de mens. Nietig, maar toch zo vreselijk arrogant. De mens denkt de macht over alles te kunnen hebben. Zo ook over de natuur. Al zijn er bosbranden, aardverschuivingen, orkanen tot sprinkhanenplagen, wij zijn arrogant genoeg om te denken dat wij alles kunnen controleren. Ook ik moet mijn eigen nietigheid onderkennen: Nature rules.

Voor het eerst in mijn leven let ik op waar en voor hoeveel ik tank. De benzineprijzen beginnen de pan uit te rijzen. Het lijkt alsof de natuur wraak wil nemen op alle lekkende olietankers die haar pijn hebben gedaan. Tegelijkertijd ben ik mij zeer zeker bewust van mijn schijnheiligheid. Ik mag dan wel geen olie in de zee gooien, maar samen met alle andere automobilisten maak ik het gat in de ozonlaag elke dag steeds groter.

Ik ben nog maar net hersteld van de tsunami. De verschrikkelijke beelden op mijn netvlies zijn net aan het vervagen. Moeder Natuur stuurt ons een reminder om te laten zien dat je nooit van haar kunt winnen, zelfs niet het land dat meent de beste, machtigste en sterkste te zijn. Mama Natuur reageert haar woede af op de Verenigde Staten. Enter Katrina.

Bij de naam Katrina dacht ik altijd aan een schattig huppelend vrolijk meisje met vlechtjes. Een meisje met een mooi rood jurkje met bloemetjes, een meisje dat liefkozend Katie genoemd wordt. Die associatie is voorgoed verdwenen. Ik zie nu verschrikkelijke beelden voor me van mensen die op stel en sprong hun hele hebben en houden moeten verlaten, arme mensen die de middelen niet hebben om te vluchten, drijvende lijken in het water…

Katrina had net haar kont gekeerd en daar kwam Rita. Rita is niet zo erg als Katrina, zegt men. Meer dan een miljoen mensen zijn gevlucht, maar de schade valt mee. Dat is allemaal relatief, er zijn nog steeds bijna 18000 mensen zonder huis en haard. George Bush is in de buurt om zijn leiderschap en bezorgdheid te tonen. De kans om een goede eerste indruk te maken heeft hij al verspeeld met zijn zwakke gedrag bij Katrina. Deze keer is hij beter voorbereid op zijn taak als pater familias van de US of A. Toch zegt hij, omdat het hem niet uitkomt (?), slechts minuten van tevoren, een bezoek aan Texas af. Waar ligt de grens tussen oprechte bezorgdheid en image management? Ik moet er van kotsen.

Ondertussen hebben wij in Nederland onze eigen orkaan Rita. Bevindt zich in Den Haag. Heeft genoeg verwoestende kracht om 26000 uitgeprocedeerde asielzoekers de dood in te blazen. Daar word ik ook niet vrolijk van.

Fiza Ahmed


By on 08:45
Arican Wegter

Wet van Denen en Perzen, deel 2.

“Gij zult niet denken dat gij beter zijt dan wij.”

Kopenhagen – De drang naar conformisme slaat in Scandinavië soms wel erg hard door naar het absurde. Klantenservice, bijvoorbeeld, is een contradictio in terminis. Werd mij deze week weer eens bevestigd in een nieuw horeca establishment waar ik te gast was.

Ondanks de tergend trage bediening, warm bier en markant onbeschofde kelner, was het die avond een ware tour de force om een tafel te bemachtigen. De service was om te janken. Slordig, ordinair op het asociale af. Er moest wat van gezegd worden, vond ik, maar niemand durfde. Not done, weet, je, verzekerden mijn Deense tafelgenoten mij enigzins spijtig. Uit beleefdheid hield ik dus, met tegenzin en moeite, mijn mond.

Want in Denemarken is iedere loketbediende, ober en putjesschepper gelijk aan de klant – ongeacht de kwaliteit van de geleverde dienst. De kelner is hier altijd koning. Niet tevreden? Ga maar fietsen. Niet jij, duur betalende gast, maar ík, bedienend personeel, ben de prima donna van deze commerciële rendezvouz. Je mag me dankbaar zijn dat ik heb verkozen je te bedienen, is de algemene instelling. Een merkwaardige vorm van klantenbinding en vaak te gortig voor woorden. Wat kon ik er aan doen die avond? De fooi onthouden was mijn enige weerwoord. En vermelden dat café-restaurant “Quote” in Kopenhagen een klotetent is, natuurlijk.

Ook hier wordt in Denemarken de Jantewet toegepast. Is de Jantewet dan alleen maar negatief? Nou, tenminste één positief randverschijnsel is dat, in tegenstelling tot Nederlanders, Denen helemaal niet twistziek zijn. Bemoeien en klagen is in deze streken een uitzondering. Dat hoort niet. Debat voeren mag wel, zo lang het maar zorgvuldig gaat en in de veronderstelling dat we het toch allemaal eens worden. Klagen is hier net zo gangbaar als boeren in het openbaar en maakt Scandinaviërs érg nerveus. Vandaar dat we op ons kostbare avondje uit zonder blikken of blozen de halfgare biefstuk met een glas lauwe witte wijn wegspoelden. Gezamelijk met een houten glimlach. Bah, wat lekker!

Maar ook in de detailhandel verbleken de rechten van de consument naast die van werknemers. De klantenservicedames van bijvoorbeeld TDC, een Deens telecombedrijf, hebben zich naast het afkafferen van wanhopige klanten ook het recht verworven om 37 uur per week hun nagels te vijlen. Want, zegt de vermaarde Jantewet, niemand is meer waard dan de ander. Ook niet als ze 12 jaar meer gestudeerd hebben, 25 jaar meer ervaring hebben, of drie keer op rij de Nobelprijs voor Vrede hebben gewonnen. Integendeel, die mensen moeten genezen worden van hun kapsones en het liefst genegeerd of, beter zelf, publiekelijk afgebrand worden. Het moge duidelijk zijn dat individualisme hier met achterdocht wordt benaderd. De groepsmentaliteit regeert, competitie is een vies woord, winnen nog viezer.

Kreatief zijn mag, maar ook slechts met beleid en het liefst anoniem. Er zijn sinds de Cobra groep geen noemenswaardige kunstenaars meer te vinden. Nee, hier hebben ze geen behoefde aan een Deense Madonna, Zweedse Maradonna of Noorse Maxima. Vandaar dat Zlatan het zo moeilijk heeft op z’n eigen turf. Bij Juventus kan dit wunderkind nog ongebreideld z’n gang gaan en zo nu en dan een meesterwerkje in het doel van Ajax afleveren. Die jongen had zich in Zweden al lang een kogel door z’n schedel gejaagd. Ik kan er om glimlachen. Gelukkig geldt ook hier dat de algemene aanleg voor onzinnigheid iedere menselijke prestatie tot een ongelofelijk wonder maakt.

Arican Wegter

13 oktober 2005
By on 10:01
Kim van Boheemen

De pest van SMS

Dol ben ik erop. SMS-en. Lekker snel, kort en effectief. Ik SMS liever dan dat ik bel, wat erin resulteert dat ik soms zó lang aan het SMS-en ben dat ik beter een uur had kunnen bellen. Maar het blijft leuk. Duur, alleen.

Soms gaat het fout. Ik weet nog dat ik een jaar of zeven geleden, toen ik nog thuis woonde, een haast catastrofale fout maakte met deze digitale berichtjes. Ik was 17 en had een vriendje, Patrick. Het was een stoere jongen, stukje ouder dan ik en wat was ik verliefd op hem. Van zijn kant betrof het niet zozeer verliefdheid. Ik kreeg vele SMS-jes van hem, vooral ‘s nachts. Niks leuker dan ‘s nachts spannende berichtjes krijgen en versturen, natuurlijk. Dus deed ik dat ook. Ik dacht er goed over na, en tikte een spannend, vooral niet voor ouders geschikt berichtje naar Patrick. Verzenden. Voldaan keek ik naar mijn schermpje. Bericht verzonden. Aan Papa mb.

Op dat exacte tijdstip heb ik ervaren hoe het ongeveer moet voelen wanneer je een acute hartaanval krijgt. Het koude zweet brak me uit. Hoe ging ik dit fixen? Niet dus. Hoe ging ik dit mij pa uitleggen? Ik besloot dat ik niet ging wachten totdat ik een antwoord op die vraag had verzonnen en sloop naar beneden. Ik was zo geconcentreerd als een bankovervaller met een missie. Op mijn tenen ging ik in het donker op zoek naar mijn vader’s mobiel. Ik kon er nog niet om lachen. Waar legt hij dat kreng?
Niet op het dressoir. Niet bij zijn sleutels. Trillend van spanning stapte ik over onze slapende Dobermann heen en trok een kastje open. En daar, als ware het een oase in de woestijn, lag mijn pa’s mobiel. Godzijdank.

Gelukkig wist ik al zijn codes want ik had het ding zelf geïnstalleerd. Nog voordat het toestel de smsjes binnenhaalde, had ik het geluid al -zoals het een professional betaamt – weten uit te schakelen.
1 nieuw bericht, stond in het scherm. Ja, en wat voor bericht. Wissen? Ja, wissen.

Sindsdien is het me NOOIT meer overkomen. Anderen overkomt het nog wel regelmatig, en dat weet ik uit eerste hand. Deze week kreeg ik maar liefst twee berichtjes van twee verschillende vrienden die zeker weten niet voor mij waren bedoeld. Een ervan was zelfs in het Engels, terwijl die desbetreffende vriend toch echt hartstikke Nederlands is.

‘Hey, you mean girl! When will we meet again ?’

Ja, dan moet je natuurlijk net mij hebben. Vooral door die knipoog werd ik getriggerd. Ik tikte een niet mistenverstane tekst terug. De vriend ontkent nog steeds in alle toonaarden.

En dan vanmorgen. Ik werd wakker met drie nieuwe berichten. Een van een zakelijk contact en twee van een oud-klasgenoot. Ik heb zes jaar met hem in de klas gezeten en eens in de zoveel tijd spreken we elkaar nog. Vond het apart dat hij deze berichten om 02.30 uur getikt had. Als er maar niks aan de hand is, dacht ik. Er was zeker iets aan de hand, maar niets ernstigs, zo bleek al snel. Met mijn slaperige hoofd open ik zijn bericht:

‘Haha, een spannende meid als jij wekt altijd mijn interesse. Het wordt zeker tijd we elkaar vaker gaan zien…en nee, heb geen vriendin op dit moment. Hoe lang sta je al ingeschreven bij Ulla Models?’

Stuiptrekkend van het lachen tik ik natuurlijk terug:

Lieve (…), je weet toch dat ik een vriend heb? En bij Ulla sta ik al een tijdje niet meer ingeschreven. Liefs, een spannende meid.’

En papa? Die staat sinds de bewuste avond als daddy mb in mijn mobiel. Stuk veiliger.

Kim van Boheemen

12 oktober 2005
By on 10:28
The Clog from Oz

Go, Swannies, Go!

‘Best bloody game in the world, mate!’. Ik zal niet snel op één lijn zitten met Lleyton Hewitt, maar daar waar het op AFL aankomt kan ik me volledig vinden in zijn enthousiasme.

AFL staat voor Australian Rules Football, in de volksmond spreekt men liever van Footy (uitgesproken met een zeer zachte t, bijna een d), dit om het te onderscheiden van Rugby, dat vaak wordt aangeduid met de term Football, en ons voetbal, dat traditioneel de noemer Soccer met zich meedraagt, maar sinds de start van de bijzonder populaire A-league enkele weken geleden, ook vaak als Football wordt aangeduid. Inderdaad, de terminologie wordt er niet duidelijker op.
Sinds ik ergens in mei 2003 mijn eerste gang naar een AFL-wedstrijd van de Sydney Swans maakte, ben ik verkocht. AFL is spannend, snel, opwindend, leuk en bij alles heeft het ondanks de stevige botsingen en bebloede koppen die onderdeel lijken uit te maken van elke wedstrijd, een gemoedelijkheid die ons voetbal voor mij al lange tijd verloren heeft. Misschien schuilt daarin voor mij wel de charme: AFL appeleert aan een soort nostalgisch zondagmiddaggevoel, waarbij in het café of de snackbar de laatste verrichtingen van Ajax of pak ‘m beet Volendam werden besproken. Er is voor mij weinig leukers te bedenken dan de gang naar de Sydney Cricket Grounds (SCG) op zondagmiddag voor het bijwonen van een wedstrijd van de Swans, hot dog en biertje erbij. Het geheel vond zaterdag 24 september een voorlopig hoogtepunt met de overwinning van de Sydney Swans in de Grand Final in Melbourne, waarmee de eerste overwinnig sinds 1933 een feit werd. Maar eerst een kleine historie.

AFL ontwikkelde zich aan het eind van de 19e eeuw als een typisch Australische sport om de cricketspelers fit te houden gedurende de winterperiode. Ziedaar de connectie met de cricket grounds. De staat Victoria met Melbourne als hoofdstad, was de bakermat van de AFL en in 1897 werd de VFL (Victorian Football League) opgericht. Evenals cricket begon de footy als een sport voor de elite, maar dat veranderde snel na oprichting van de VFL. Bijna een eeuw later, aan het begin van de jaren ’80, werd besloten tot het opzetten van een landelijke competitie. Perth en Adelaide waren al AFL-steden en leverden beiden twee teams aan de landelijke competitie. In Brisbane fuseerden de Brisbane Bears en de uit Melbourne afkomstige Fitzroy Lions tot de Brisbane Lions en het team van South Melbourne verhuisde na een jaar vol try-outs in 1983 defintitief naar Sydney, waar het werd omgedoopt tot de Sydney Swans. De grote inbreng van Victoria en dan met name Melbourne, vindt zijn reflectie in het aantal teams uit deze staat: 9 teams uit Melbourne, inclusief de voorstad Geelong 10, en dat van de in totaal 16 teams. Daarbij moet ik aantekenen dat er een strikte scheidslijn loopt door het Australische continent: Brisbane en Sydney zijn typische rugby-steden, de andere grote steden zijn AFL. Melbourne heeft slechts één team in de door Sydney-teams gedomineerde rugby league.

De regels van het spel zijn niet al te moeilijk. Footy wordt gespeeld met een ovale bal, die het moeilijker maakt controle over de bal te krijgen. Het ronde veld wordt aan twee uiteinden begrensd door vier palen, de middelste twee hoger dan de buitenste. Een bal door de middenpalen is een goal en levert 6 punten op, een bal door de buitenste palen is een behind en levert 1 punt op. Ziedaar de hoge scores die regelmatig de 100 punten overtreffen. Inderdaad, in de footy wordt er lekker vaak gescoord. Je mag de bal met de handen pakken en meenemen of trappen, maar een goal moet worden gescoord uit een trapbal. De meeste goals worden gescoord uit een zogenaamde mark, een vangbal die het resultaat moet zijn van een geschopte bal en die een vrije trap oplevert. Een mark niet al te ver van de doelpalen levert bijna zeker een goal op.

De AFL heeft in Sydney nog lang niet de populariteit die Rugby heeft, en het is zeer twijfelachtig of het die populariteit ooit zal weten te evenaren laat staan overtreffen. Ik ontwaar nog altijd bij veel Sydneysiders een vijandige danwel neerbuigende houding tegenover de AFL. Sport voor sissies. Toen ik een tijdje terug een sportwinkel binnenstapte om te vragen of ze ook AFL-shirts verkochten, werd me met barse stem te verstaan gegeven ‘This is Sydney mate!’ Maar na een lange periode waarin de Swans met moeite bezoekers naar het stadion wisten te krijgen, geniet de club de laatste jaren een grote populariteit die zich uit in volle stadions. Met de overwinning in the Grand Final zal die populariteit zich alleen maar bestendigen danwel uitbreiden.

Onderwijl is de overwinning van de Swans een zure appel voor Melbourne, al wordt de andere finalist, de West Coast Eagles uit Perth, misschien nog wel minder gewaardeerd in de hoofdstad van Victoria. Zoals gezegd, Melbourne is de bakermat van de AFL, toppers in Melbourne halen met gemak bezoekersaantallen tussen de 60.000 en 80.000 (Sydney haalt er meestal zo’n 30.000). Maar de laatste overwinning van een tean uit Melbourne dateert van 2000, toen Essendon de Grand Final won. Daarna was het drie keer de beurt aan de Brisbane Lions en vorig jaar was de titel voor Port Adelaide. De Grand Final wordt bereikt na twee of drie wedstrijden in de finaleronde. Aan die knock-out ronde nemen de bovenste acht teams uit de competitie deel, waarbij de nummers een tot vier het voordeel hebben dat ze een keer mogen verliezen. Voor de andere teams geldt uitschakeling bij verlies. Dat resulteerde dit jaar voor Sydney in vier bloedstollende wedstrijden, met de spannendste finale sinds jaren, waarbij Sydney bij een eindstand van 57-53 met de eer mocht strijken.

De Grand Final wordt ieder jaar groter, zo lijkt het. Dit jaar was er uitgebreide pre-match entertainment met onder andere Dame Edna. Dit na ellenlange voorbeschouwingen door experts en comedians op zowel vrijdagavond als zaterdagmorgen. Deze groots opgezette show werd afgelopen zondag herhaald in de Grand Final in de rugby league.
Sport is de grootste religie van de Aussies. Tijdens de AFL Grand Final kleurden de straten en pubs rood-wit, niet alleen vanwege de Sydney Swans, maar ook vanwege St George, die ‘s avonds in de preliminary final van de Rugby League een Grand Final plaats moesten bevechten en ondanks de favorietenrol het onderspit delfden tegen de West Tigers. Allebei Sydney teams, maar de fans zijn fanatiek en iedereen kiest duidelijk voor een van de clubs. Het lijkt ook of iedereen een mening heeft, voorbijgangers komen even de pub binnen om een blik op het grote tv-scherm te werpen, de stand wordt kort toegelicht of besproken, iemand komt snel even binnen en roept Go, Tigers! Het paars-oranje van de Tigers overstemde in veel pubs dan ook het rood-wit en het Go Tigers! moest op straat wedijveren met het Go, Swannies, Go!
Ik ben na de AFL Grand Final met vrienden in de pub gebleven voor de eerste rugby preliminary final en zowaar, ik bespeurde bij mijzelf een groeiend enthousiasme, al haalt het het niet bij mijn liefde voor de AFL. De Grand Final in de rugby (met winst van de Wests Tigers op de Cowboys van North Queensland) heb ik dan ook gewoon thuis bekeken. Maar wie weet kan ook hier een bezoek aan het stadion wonderen verrichten.

The Clog from Oz


By on 10:21